Je hebt je maatschappelijke effecten in beeld. Maar weet je ook wat je ervoor doet?

Steeds meer gemeenten hebben een set maatschappelijke indicatoren vastgesteld. Mooi doordacht, vaak met veel partners opgesteld, en met een zekere halleluja-stemming eromheen: we hebben het meetbaar gemaakt. Rond de sociale basis hoor ik dat de laatste tijd het vaakst, juist omdat die zo lastig meetbaar is, maar het speelt in het hele sociaal domein.

Als je dan gaat kijken wat er precies ligt, blijkt er iets anders te zijn gebeurd. Er zijn maatschappelijke indicatoren aan doelen gekoppeld. Dat is knap werk, en het is nodig. Maar het zegt nog niets over de inspanningen die de gemeente en haar partners doen in relatie tot die maatschappelijke opgaven: bestaanszekerheid, in goede gezondheid leven, veilig en gezond kunnen opgroeien, ontwikkelkansen krijgen, en meedoen aan de samenleving.

Mijn stelling in dit artikel: zolang je alleen effecten meet, kun je constateren, maar niet sturen. Daarvoor heb je een tweede beeld nodig, en dat ontbreekt nog te vaak.

Wat is dat tweede beeld precies?

Een overzicht van alle voorzieningen die je als gemeente in het sociaal domein hebt, het liefst opgebouwd vanuit de begroting en dus geordend per wet: Jeugdwet, Wmo, Participatiewet. Dat hoeft niet per se zo. Je mag net zo goed een overzicht maken van alle inspanningen per maatschappelijk doel. Maar de begroting is meestal de eerste plek waar deze informatie te vinden is, en de realiteit in veel gemeenten is dat de andere exercitie (de inspanningen per maatschappelijk doel) nooit gedaan is. En dan per voorziening drie dingen:

  • Uitgaven. Wat kost deze voorziening ons per jaar?
  • Bereik. Hoeveel inwoners maken er gebruik van, en welke inwoners zijn dat?
  • Inwonerervaring. Wat vinden de inwoners die eraan deelnamen ervan, en wat leverde het hun op?

Dat klinkt eenvoudig. In de praktijk kom ik het bijna nergens tegen als één samenhangend beeld. De uitgaven zitten bij Financiën, het bereik wordt op tien plekken op tien manieren geteld, en de inwonerervaring is er meestal alleen voor de voorzieningen waar een wettelijk verplicht cliëntervaringsonderzoek onder ligt.

Eerst even de begrippen scherp, want die lopen voortdurend door elkaar.

Een effectindicator meet of de maatschappelijke situatie verandert, bijvoorbeeld het aandeel inwoners dat zich gezond voelt. Een prestatie-indicator meet wat een organisatie doet en oplevert, bijvoorbeeld het bereik en de kosten van een voorziening. Een wettelijke voorziening is de concrete vorm van ondersteuning die een gemeente op grond van de Jeugdwet, de Wmo of de Participatiewet organiseert.

Waarom je dat tweede beeld wilt hebben
Er zijn vier redenen, en ze worden gaandeweg belangrijker.

Je ziet waar je inspanning eigenlijk zit. Niet waar je denkt dat hij zit, of waar het beleidsplan zegt dat hij zit, maar waar de euro’s, de voorzieningen en het bereik daadwerkelijk landen. Dat verschil is vrijwel altijd groter dan verwacht.

Je ziet de witte vlekken. Waar heb je veel informatie over, en waar nog weinig? Zodra dat op één plek staat, kun je gericht bijsturen op het verzamelen van de data die ontbreekt, in plaats van overal tegelijk een beetje willen weten.

Je kunt een gesprek voeren over verhouding in plaats van over incidenten. Zonder dit beeld gaat het overleg over de voorziening die vandaag toevallig in het nieuws is. Met dit beeld gaat het over hoe de inzet zich verhoudt tot wat je wilt bereiken.

Je krijgt de inwoner in beeld, niet alleen het aantal. Bereik vertelt je hoeveel mensen je hebt gezien. Ervaring vertelt je of het iets voor ze betekende. Dat is de schakel waar de bedoeling in zit, en het is de schakel die het vaakst ontbreekt.

Bereik is één woord voor heel verschillende tellingen

Op de valreep van zo’n overzicht struikel je bijna altijd over dit ene woord. Bereik klinkt als een helder getal, maar in de praktijk is de definitie vaak afhankelijk van de specifieke voorziening.

Bij geïndiceerde ondersteuning is het het aantal inwoners met een indicatie, en daarnaast de gebruiksintensiteit van die inwoners: hoeveel uur, hoe lang, hoe vaak. Bij een wijkaccommodatie is het het aantal drempeloverschrijdingen. Bij activiteiten is het het aantal deelnemers, en dan nog verschillend voor individuele en collectieve activiteiten. En bij een deel van het werk is het bereik indirect: de opbouwwerker ondersteunt actieve inwoners, en bereikt daarmee inwoners in een kwetsbare positie die hij zelf nooit spreekt. Hetzelfde geldt voor de vrijwilligers die groepen draaien en daarbij worden ondersteund door een social worker.

Dat zijn allemaal legitieme tellingen. Het gaat mis zodra je ze bij elkaar optelt of met elkaar vergelijkt alsof het hetzelfde is. Mijn advies is dan ook niet om één definitie van bereik af te dwingen, want die bestaat niet. Leg per voorziening vast wat er precies geteld wordt, en zet dat er zichtbaar bij. Dan kan iedereen aan tafel zelf beoordelen wat een getal waard is, en dat is precies het soort transparantie dat het gesprek erna mogelijk maakt.

De sturingsfilosofie eronder

Het risico van zo’n overzicht is levensgroot en het is goed om dat vooraf te benoemen. Zodra je per voorziening uitgaven, bereik en ervaring op één plek zet, ligt de verleiding klaar om er top-down normen op te zetten en mensen erop af te rekenen. Dan verandert het gedrag eromheen onmiddellijk. Het gesprek gaat over de meting in plaats van over de bedoeling, en de cijfers worden precies zo gemaakt dat ze goed uitkomen.

Robert Simons beschrijft in zijn Levers of Control vier manieren waarop organisaties meetsystemen gebruiken. De belangrijkste voor ons vak noemt hij het interactive use of measurement systems: je gebruikt de cijfers niet om achteraf te beoordelen, maar om vooraf en tussentijds met elkaar in gesprek te gaan over wat er gebeurt en wat dat betekent. De cijfers zijn de agenda voor het gesprek, niet het oordeel.

Dat vraagt drie dingen van de manier waarop je het overzicht inricht.

De data moet verklaarbaar zijn. Iedereen aan tafel moet kunnen navertellen waar een getal vandaan komt en wat het wel en niet zegt. Anders wint degene die het hardst roept.

De data moet onvolledig mogen zijn. Een lege cel is informatie. Als je het overzicht pas durft te tonen als het compleet is, toon je het nooit en mis je de vraag: waarom weten we dit niet?

En de data moet het gesprek aanwakkeren over ontwikkeling en verbetering. Goede cijfers roepen meer vragen op dan ze beantwoorden, en dat is precies de bedoeling. Vragen van de gemeente aan haar uitvoerende partners, van partners aan hun eigen teams, en van iedereen aan inwoners. En net zo goed vragen aan de data zelf: wat missen we hier nog, welk aanvullend inzicht zou dit beeld inkleuren?

Want deze vier inzichten, maatschappelijke effecten, uitgaven, bereik en inwonerervaring, zijn basaal. Ze vormen het raamwerk. Bijna elke voorziening kent daarnaast een paar eigen, typerende indicatoren die pas echt duidelijk maken wat er gebeurt, en die horen er gewoon bij.

Het duiden doe je dan met alles wat je hebt: de cijfers, de beelden uit de praktijk van mensen die het werk doen, en wat er in het land gebeurt aan wet- en regelgeving en aan voorbeelden van andere gemeenten en organisaties. Daar komen twee dingen uit. Verklaringen voor wat je ziet, en verbeterideeën die je omzet in verbeterplannen. Niet afrekenen dus, maar samen begrijpen en vervolgens iets doen.

Ik noem dat zelf databedreven werken in plaats van datagedreven werken. Niet gestuurd worden door de data, maar er vaardig mee zijn. Meer over sturing en databedreven werken lees je in mijn volgende artikel: Monitoring in het sociaal domein: waarom één keer duiden nog geen duiden is.

Hoe zo’n overzicht eruitziet als het af is

Hieronder staat het (fictieve) resultaat van zo’n exercitie, 44 voorzieningen, per wet geordend vanuit de begroting, met per voorziening drie kolommen. Weten we het bereik? Weten we de uitgaven? Weten we hoe de inwoner het ervaren heeft?

Data dekkingstabel sociaal domein - fictief voorbeeld

Vier dingen springen eruit, en die zijn niet uniek voor deze (fictieve) gemeente.

De uitgaven zijn het best te achterhalen, maar niet compleet. Van vier op de vijf voorzieningen weten we wat ze kosten. Dat mag je ook verwachten van een overzicht dat vanuit de begroting is opgebouwd. Toch blijft er een rest over waar geen bedrag bij te krijgen is, en dat is verklaarbaar: budgetten lopen samen, posten zijn breder dan één voorziening, en niemand had ooit de vraag precies zo gesteld. Juist die rest is interessant, want het gaat vaak om het werk dat via subsidies loopt in plaats van via indicaties.

Bereik weten we van zeven op de tien voorzieningen. Dat is minder dan bij de uitgaven, en er hoort een stevige kanttekening bij, dezelfde die ik hierboven maakte: er zitten allerlei onderzoekstechnische haken en ogen aan, vooral rond de definities. Een gevulde cel is nog geen vergelijkbare cel.

Inwonerervaring kennen we van drie voorzieningen. Drie, van de vierenveertig. Dat is de kolom die iets zegt over wat het de inwoner opleverde, en die is vrijwel leeg. Niet uit onwil: bereik telt zichzelf en ervaring moet je ophalen, en dat kost geld en tijd. Maar het betekent wel dat we het best weten wat er het minst toe doet.

De sociale basis is één regel met drie oranje vakjes. Precies die laag waar in beleidsstukken het meeste van verwacht wordt, staat in het overzicht als ontwikkelspoor. Dat komt mede doordat monitoring in het sociaal domein van oudsher wordt opgebouwd rond geïndiceerde voorzieningen, terwijl de sociale basis nu juist het ongeïndiceerde werk is. Als dit plaatje ergens toe leidt, is het dat die regel prioriteit krijgt.

Dit zijn allemaal dingen die je pas ziet als je het overzicht maakt. En dat is het punt: het overzicht is zelf al een interventie.

Wat dit betekent voor andere gemeenten

  • Begin bij de begroting, niet bij het beleidsplan. De begroting vertelt eerlijk waar het geld heen gaat en is per wet geordend. Zolang er geen begroting bestaat die per maatschappelijk doel is opgebouwd, is dat voorlopig het beste alternatief. In het volgende artikel kom ik hierop terug, want dan gaat het over de vraag hoe je deze prestatie-indicatoren koppelt aan je maatschappelijke doelen.
  • Accepteer lege cellen. Een overzicht met gaten is bruikbaar. Een overzicht dat wacht tot het compleet is, komt er niet.
  • Zet inwonerervaring hoger op de lijst dan het nu staat. Dit is de kolom waar de gemeente en zeker de uitvoerende partners het snelst van leren. Coolblue meet de klantervaring bij zo ongeveer elke processtap en verbetert daar de dienstverlening mee. Wij doen het in het sociaal domein eens per twee jaar, omdat het moet. Zijn de inwoners die wij ondersteunen het niet waard dat we net zo scherp luisteren?
  • Spreek af waar het overzicht níet voor is. Leg vooraf vast dat dit geen afrekeninstrument is en hoe je het wel gebruikt. Doe je dat niet, dan bepaalt de eerste spannende raadsvraag het antwoord voor je.
  • Zie het overzicht als de helft van het verhaal. Het vertelt je wat je doet en wat je daarvan weet. Wat het nog niet vertelt, is hoe die inzet zich verhoudt tot wat je wilt bereiken.

Waarop dit is gebaseerd

De sturingsfilosofie in dit artikel leunt op de Levers of Control van Robert Simons, en dan met name op wat hij interactive use of measurement systems noemt: meetsystemen inzetten om samen te leren en bij te sturen, in plaats van om achteraf te beoordelen. Daarover in dit volgende artikel meer.

Tot slot

Herken je dit in jouw gemeente? Ik ben benieuwd of jullie dit overzicht wel hebben, en zo ja, hoe jullie het gebruiken. Stuur me gerust een bericht.

Ik ben Aad Francissen, mede-oprichter van Menselijke Maat . Ik adviseer gemeenten en welzijnsorganisaties over monitoring en sturing in het sociaal domein. Ik schrijf dit omdat ik zie dat veel gemeenten deze stap nog moeten zetten, en er weinig over gepubliceerd wordt.